BiSL Next – Termenlijst

Binnen BiSL worden een aantal termen gebruikt, die niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk goede diensten kunnen bewijzen. Immers, als we met zijn allen dezelfde “taal” spreken voorkomen we heel veel spraakverwarring. Het is een lange lijst, maar de meeste termen zullen u vast al bekend voorkomen. Bent u echter nog eens op zoek naar wat een term ook al weer precies betekende, dan kunt u op deze pagina terecht.

Acceptatiecriteria

De criteria waaraan een informatieservice moet voldoen voordat de beheerorganisatie deze in beheer kan nemen. Bijvoorbeeld de benodigde kennis, afspraken, voldoende capaciteit en beschikbaarheid hulpmiddelen.

Acceptatietest

De test waarbij BIM controleert of datgene wat de IT-leverancier heeft opgeleverd in overeenstemming is met datgene wat afgesproken is.

Agile

Een mindset, een manier van werken, om in snel veranderende, complexe omgevingen aanpassingen aan te brengen. Scrum is de op dit moment meest gebruikte aanpak om Agile werken in een organisatie te realiseren.

Applicatie

Het geautomatiseerde deel van een informatiesysteem dat bestaat uit programmatuur, gegevens en gegevensstructuren en de relevante documentatie.

Applicatiearchitectuur

Beschrijving van de individuele applicaties, de relaties tussen applicaties en de relatie met de bedrijfsprocessen.

Applicatiemanagement

Alle taken, verantwoordelijkheden en activiteiten gericht op beheer, ondersteuning, onderhoud en vernieuwing van bestaande applicaties en gerelateerde gegevensstructuren. Doel is om de applicaties in een dusdanige staat te brengen dat zij aan de eisen en behoeften van hun eigenaren voldoen gedurende de gehele levenscyclus van de bedrijfsprocessen die de applicaties ondersteunen.

ASL BiSL Foundation

De stichting zonder winstoogmerk die de ASL en BiSL frameworks beheert en promoot.

Autorisatie

Het proces waarin een subject (een persoon of een proces) rechten krijgt op het benaderen van een object (een bestand, een systeem).

Autorisatiebeheer

Het beheren van alle toegekende autorisaties; het uitgeven, aanpassen of intrekken van autorisaties.

Bedrijfsgegevens

De gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van de bedrijfsprocessen.

Bedrijfsinformatiemodel

Een structuur die inzicht geeft in de gegevens die relevant zijn voor de organisatie, gegevensdefinities en relaties tussen gegevens.

Bedrijfsproces

Een gestructureerde set van activiteiten die ontworpen zijn om een bepaald bedrijfsdoel te bereiken.

Beheerdomein

Specifiek aandachtsgebied binnen het totale veld van het beheer van informatiesystemen. Bekende beheerdomeinen zijn Applicatiemanagement en IT-infrastructuurmanagement, samen ook wel IT-servicemanagement genoemd, en business-informatiemanagement.

De eerstgenoemde domeinen verlenen diensten aan de business en/of aan business-informatiemanagement.

Beheerrequirements

Zie acceptatiecriteria.

Behoefte

Zie Need.

Beleid

Het aangeven van de richting en de middelen waarmee men gestelde organisatiedoelen binnen een gestelde periode wil gaan realiseren.

Beleidsterrein

Het aangeven van de richting en de middelen waarmee men gestelde organisatiedoelen op een bepaald terrein binnen een gestelde periode wil gaan realiseren.

Beschikbaarheid

Het werkelijk voor gebruik toegankelijk zijn van een informatiesysteem. Valt onder de niet-functionele requirements.

BIM-domein

Het domein dat verantwoordelijk is voor alle taken en activiteiten die gericht zijn op het besturen, definiëren, verbeteren en ondersteunen van het gebruik van informatiesystemen en -services die nodig zijn voor het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten en het bereiken van de doelstellingen van een organisatie.

BiSL-model

Een model waarin de aandachtspunten en activiteiten binnen BIM zijn gestructureerd.

BiSL-modelcomponenten

De twaalf componenten die in combinatie met elkaar de structuur van BiSL beschrijven.

Business (organisatie)

Zie: Gebruikersorganisatie.

Businessarchitectuur

Beschrijft de producten/diensten van een bedrijf, de bedrijfsprocessen en organisatieonderdelen.

Business (perspective)

Het perspectief dat zich richt op de informatievoorziening vanuit het oogpunt van de bedrijfsprocessen en de bedrijfsonderdelen.

Business-informatiemanagement (BIM)

Alle taken en activiteiten die gericht zijn op het besturen, definiëren, verbeteren en ondersteunen van de informatievoorziening die nodig is voor:

–      het uitvoeren van de bedrijfsprocessen;

–      het leiden van een organisatie;

–      het bereiken van de bedrijfsdoelstellingen.

Business-informatieservice

Een service die de organisatie van informatie voorziet die nodig is om business-services te kunnen leveren. Wordt doorgaans met de term informatieservice aangeduid.

Business-IT-alignment

De aansluiting tussen bedrijfsproces en IT gebaseerd op de mate waarin de informatievoorziening bedrijfsstrategie en bedrijfsprocessen ondersteunt. Zie ook Convergence en Fusion.

Business-requirements

Het beschrijven van de behoefte van de organisatie en met name het te bereiken doel van een aanpassing. Voorkomen moet worden dat hier een oplossing wordt beschreven.

Business-service

Levering van een of meerdere diensten/producten door een organisatie aan haar klanten of andere stakeholders.

Business-strategie

De strategie die een organisatie heeft uitgewerkt en geïmplementeerd om haar doelstellingen te bereiken.

Businessanalyse

Gedetailleerd onderzoek naar de problemen waarmee de organisatie en de informatievoorziening worden geconfronteerd.

Businessarchitectuur

Een beschrijving van de producten/diensten van het bedrijf, de processen waarmee deze producten/diensten worden geproduceerd en de organisatieonderdelen die deze processen uitvoeren. Synoniem: bedrijfsarchitectuur.

Businesscase

Onderbouwing voor een investering. De businesscase bevat informatie over kosten, baten, mogelijkheden en risico’s. De businesscase verschaft hiermee input voor een juiste beslissing omtrent een gewenste wijziging van een informatiesysteem of -service.

Businessmanagement

De activiteiten die verbonden zijn aan het managen van een bedrijf zoals besturen, leiden, monitoren, organiseren en plannen.

Businessmodel

Beschrijft de manier waarop een organisatie waarde creëert, levert en te gelde maakt.

Businessunit

Een resultaatverantwoordelijke en onafhankelijke organisatorische eenheid.

Call

Een vraag, fout, klacht, wens of verzoek afkomstig van een gebruiker met betrekking tot de informatiesystemen en -services.

Call-rapportage

Het rapporteren over calls. Deze rapportage kan worden gebruikt om te controleren of afspraken zijn nagekomen en of er nog verbeteringen mogelijk zijn.

Call-registratie

Het registreren van calls. Wordt gedaan om beheer over calls te kunnen uitvoeren en analyses te kunnen maken ter verbetering van de informatievoorziening.

Callafhandeling

Het afhandelen of doen afhandelen van calls.

Capability (driver)

De competenties, vaardigheden, middelen, kennis etc. van een organisatie om activiteiten te kunnen uitvoeren.

Constraints

Randvoorwaarden die worden gesteld aan de data, het informatiesysteem of de ontwikkeling daarvan.

Control data

Zie: Stuurgegevens.

Convergence

Het integreren van IT in de business. Volgt op de fase van Business-IT-alignment. Zie ook Fusion.

DAP

Zie Dossier Afspraken en Procedures.

Data

Data zijn gegevens zoals symbolen, tekens, getallen, woorden, etc.

Er is sprake van data of gegevens als er iets waargenomen kan worden en vervolgens wordt vastgelegd. Dit staat los van het feit of er betekenis gegeven kan worden aan deze gegevens. Is dat het geval, dan spreken we van informatie.

Data (perspective)

Het perspectief dat zich richt op alle gegevens en informatie die in een organisatie nodig zijn om haar doelen te bereiken.

Data governance-comité

Stuurt activiteiten aan op het gebied van data governance of voert deze uit. Kan subcomité zijn in een bestaande governance structuur.

Data owner

Rol binnen BiSL Next. Is eigenaar van de data en heeft daarmee de eindverantwoordelijkheid. Neemt besluiten betreffende de data.

Data steward

Zie gegevensbeheerder.

Data-architectuur

Een beschrijving van de structuur van de logische- en fysieke data binnen de organisatie en de hierbij behorende databronnen. Het is samen met de applicatiearchitectuur een onderdeel van de informatiearchitectuur.

Data-dictionary

Een beschrijving van alle data elementen en de logische relaties tussen de data elementen.

Data-lifecycle

Beschrijving van de levenscyclus van data: verzamelen, controleren, beslissen, opslaan en verwerken, gebruiken, archiveren en tot slot verwijderen.

Data-omgeving

Het geheel van alle gegevens waarover een organisatie beschikt.

Data-requirements

Beschrijven welke gegevens van belang zijn voor de organisatie en aan welke eisen deze moeten voldoen.

Database

Een gestructureerde verzameling van data op een (digitale) gegevensdrager.

Databasebeheer

De activiteiten binnen applicatiemanagement en IT-infrastructuurmanagement in het kader van het technisch beheren en onderhouden van een database.

Datakwaliteit

Kwaliteitseisen die worden gesteld aan de data. Voorbeelden zijn correctheid, actualiteit, beschikbaarheid, eenduidigheid en volledigheid.

Datamanagement

Het creëren, opslaan, onderhouden, actualiseren, beschikbaar maken, beveiligen, archiveren en langdurig bewaren van data.

Datastrategie

Strategie specifiek op het gebied van data, bijvoorbeeld in hoeverre data openbaar is of wordt gemaakt. Onderdeel van de algehele strategie.

Datastructuur

Relaties en samenhang tussen gegevens.

Dienstenportfolio

Het geheel van alle diensten die worden geleverd. Synoniem: serviceportfolio.

Digitale diensten

Diensten die digitaal worden aangeboden. Synoniem: elektronische diensten.

Domains

Een domain is een gebied met aan elkaar verwante activiteiten. In BiSL zijn de domains: Governance, Strategy, Improvement en Operation.

Dossier Afspraken en Procedures

Een dossier waarin de organisatie en de communicatie tussen leverancier en BIM wordt beschreven. Vaak afgekort tot DAP.

Drivers

De factoren die een belangrijke invloed hebben op business-informatiemanagement. In BiSL zijn de drivers: Need, Value, Mission en Capability.

Elektronische diensten

Zie Digitale diensten.

Exploitatiegegevens

Gegevens omtrent het concrete gebruik van de informatievoorziening.

Formulier

Niet-geautomatiseerd onderdeel van een informatiesysteem. Kan digitaal en niet-digitaal (papier) zijn.

Functie

Heeft twee betekenissen:
1. Een positie die een persoon in een organisatie bekleed;
2. Een bepaalde functionaliteit van een informatiesysteem.

Functionaliteit

Een toepassingsmogelijkheid van een informatiesysteem. Samen met data en technologie geeft functionaliteit een informatieservice.

Functioneel beheer

De activiteiten op operationeel niveau in het kader van het beheren van de informatievoorziening oftewel het operationele deel van BIM.

Functioneel beheerder

Rol die binnen BiSL is gedefinieerd op uitvoerend niveau. Vanuit BiSL perspectief voert de Functioneel beheerder een aantal taken uit binnen de domains Operation en Improvement. Het kan een rol zijn die parttime wordt vervuld, maar vaak is het fulltime waardoor de rol samenvalt met de functie Functioneel beheerder.

Functionele eisen

Zie Functionele requirements.

Functionele requirements

De beschrijving van het gewenste gedrag (functie) van de informatiesystemen. Daarnaast worden het operationele gedrag beschreven (niet-functionele eisen).

Fusion

Het samensmelten van IT en de business. Volgt op de fase van Convergence. Zie ook Business-IT-alignment.

Gebruiker

Iedereen die gebruik maakt van een informatieservice. Dit zijn in de eerste plaats de interne medewerkers. Het kunnen echter ook externen zijn, bijvoorbeeld klanten die via een portal gebruik maken van de informatieservices.

Gebruikersgroep

Groep gebruikers met een gezamenlijk takenpakket en bijbehorende informatievoorziening.

Gebruikershandleiding

Handleiding voor gebruikers ter ondersteuning van het gebruik van de informatievoorziening. Valt onder het niet-geautomatiseerde deel van de totale informatievoorziening.

Gebruikersondersteuning

Zorgen dat gebruikers optimaal gebruik kunnen maken van de informatiesystemen zodat bedrijfsdoelstellingen gehaald kunnen worden en dat onvolkomenheden die dit in de weg staan worden geïdentificeerd, geregistreerd en opgelost.

Gebruikersorganisatie

De organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de bedrijfsprocessen die door de informatiesystemen en -services worden ondersteund. Daar waar in het boek wordt gesproken over ‘de organisatie’ wordt doorgaans ook de gebruikersorganisatie bedoeld. Synoniem: business.

Gegevensbeheerder

Rol binnen BiSL Next. Zorgt voor juistheid, volledigheid, integriteit en kwaliteit van de gegevens in de organisatie. Heeft goed begrip van gegevens op zich en het gebruik ervan. Synoniem: data steward.

Gegevensdrager

Een medium waarop gegevens kunnen worden vastgelegd.

Gegevenseigenaar

Rol binnen BiSL Next. Is eigenaar van (een bepaald deel van) de gegevens en heeft daarmee de eindverantwoordelijkheid. Neemt besluiten betreffende gegevens. Synoniem: Data owner.

Gegevensuitwisseling

Het uitwisselen van gegevens tussen verschillende organisaties. Hiervoor dient beleid te worden opgesteld.

Gegevensomgeving

Zie Data omgeving.

Governance (domain)

Het gebied waarin de activiteiten plaatsvinden die worden uitgeoefend door de raad van bestuur of directie voor het besturen en op afstand monitoren van de formulering, de implementatie en het management van de informatievoorziening.

Haalbaarheidsonderzoek

Analyseren op noodzaak, urgentie, risico’s en realiseerbaarheid bij grootschalige wijzigingen.

IAM

Zie Identity and access management.

Identiteits- en toegangsbeleid

Zie Identity and access management.

Identity and access management (IAM)

Het administreren en beheren van de toegang van gebruikers tot applicaties en systemen.

Impact

Analyse en beschrijving van de gevolgen van een aanpassing op de informatievoorziening, bedrijfsprocessen, de gebruikersorganisatie etc.

Implementatieplan

Een document dat alle activiteiten beschrijft die moeten worden uitgevoerd voordat een gewijzigde applicatie of een aangepaste werkwijze succesvol in gebruik kan worden genomen in een organisatie.

Improvement (domain)

Gebied met als activiteiten analyse, specificatie, realisatie, testen en uitrol van nieuwe of veranderde informatiesystemen en –services.

Incidentmanagement

Proces om incidenten af te handelen. Dit kan afhankelijk van het incident worden gedaan door IT, BIM of in een samenwerking tussen beide.

Increment

Onderdeel van een groter geheel. Bijvoorbeeld incrementeel ontwikkelen waarbij steeds een onderdeel wordt aangepast waardoor het geheel beheersbaar blijft.

Informatie

Data die in de ogen van de ontvanger een bepaalde betekenis hebben (“informatief zijn”).

Informatie-portfoliomanagement

Stelt voor de gehele organisatie de contouren vast van de informatievoorziening en bepaalt welke veranderingen daarin nodig en mogelijk zijn.

Informatiearchitectuur

Een beschrijving van de samenhang tussen informatiesystemen, hoe de onderverdeling in onderliggende informatiedomeinen is en wat de relaties en koppelvlakken zijn tussen deze onderdelen. Hierbij zijn kenmerken voor de onderdelen, zoals investeringswaarde, status, belang, kwaliteit, sterkten en zwakten van belang. De informatie(systeem)architectuur omvat de data-architectuur en de applicatiearchitectuur.

Informatiebeleid

Het beleid dat een organisatie voert ten aanzien van de informatievoorziening. Veelal ingevuld door beschrijvingen van ontwikkelingen, achterliggende organisatiebeleidsvisies, schetsen van de op middellange en lange termijn gewenste informatiesystemen en -services en de wijze waarop de sturing en realisatie ervan plaatsvindt.

Informatiebeveiliging

Het geheel van preventieve, detectieve, repressieve en correctieve maatregelen alsmede procedures en processen die de beschikbaarheid, exclusiviteit en integriteit van alle vormen van informatie binnen een organisatie garanderen.

Informatiedomein

Een specifiek onderdeel binnen een gebruikersorganisatie met een eigen bedrijfsproces, procesinrichting, proceskenmerken en eigen specifiek benodigde kennis. Bijvoorbeeld financiën, inkoop, research & development of human resource management.

Informatiejaarplan

Een plan dat ontwikkelingen in de huidige en toekomstige informatievoorziening adresseert. Het omvat een overzicht van de belangrijkste activiteiten in het komende jaar uitgewerkt in verwachte wijzigingen, planning en capaciteit, prioriteiten, benodigde ondersteuning door leveranciers, afgesproken IT-diensten voor de komende periode, kostenbegrotingen en budgetten.

Informatieketen

Een keten van informatieservices waardoor informatie tussen organisaties kan worden uitgewisseld. Hoewel ook intern informatieketens zijn te benoemen wordt binnen BiSL ingezoomd op externe informatieuitwisseling.

Informatieketenpartner

Een partij of organisatie waarmee een gebruikersorganisatie samenwerkt en waarmee informatie-uitwisseling plaatsvindt.

Informatieketenpartner-liaison

In geval van een verstoring in een informatieketen zal BIM met de ketenpartners moeten samenwerken om een oplossing te zoeken en bewaken dat deze ook wordt geïmplementeerd.

Informatiemanagement

De activiteiten op tactisch en strategisch niveau die verbonden zijn aan het richting geven en bewaken van de inhoud en vorm van de informatievoorziening (voor de middellange en lange termijn), alsmede het bepalen van de meest geëigende organisatie om deze inhoud en vorm te realiseren.

Informatieplan

Het geheel aan plannen van een organisatie waarin wordt geschetst hoe de informatievoorziening er op middellange termijn (meestal drie tot vijf jaar) uit gaat zien en de weg waarlangs dat wordt gerealiseerd.

Informatieservice

Een dienst die ertoe bijdraagt dat een organisatie beschikt over de voor haar activiteiten gewenste of noodzakelijke informatie. Een informatieservice kan een of meer IT-services omvatten. Een product (hardware, software) kan onderdeel zijn van een informatieservice.

NB: Een service die de organisatie van de informatie voorziet die nodig is om business-services te kunnen leveren wordt ook wel Business-informatieservice genoemd. Omdat eigenlijk alle informatieservices dit doel hebben (direct of indirect) wordt deze term verder niet gebruikt in het boek.

Informatiestrategie

Is een afgeleide van de algemene organisatiestrategie en het informatiebeleid. In de informatiestrategie staat hoe de informatievoorziening een bijdrage moet en kan leveren aan de doelstellingen van de organisatie en wat dit betekent voor de activiteiten en producten van IT en BIM.

Informatiesysteem

De mensen, procedures, gegevens, (digitale en analoge) gegevensdragers, software en hardware die informatie produceren om de doelen van een (deel van een) organisatie te vervullen. Een informatiesysteem:

•      kan geautomatiseerd of niet-geautomatiseerd zijn of een combinatie van beide;

•      ondersteunt vaak één bedrijfsproces of een deel ervan;

•      maakt deel uit van de informatievoorziening van een of meer organisaties.

Informatietechnologie

Zie IT.

Informatievoorziening

De informatie die beschikbaar is voor (een deel van) een organisatie plus de mensen, procedures, gegevens, (digitale en analoge) gegevensdragers, software en hardware (kortweg de informatiesystemen en -services) die deze informatie voortbrengen.

Inzet

De toekenning van mensen en/of middelen voor bepaalde doeleinden.

IT

Informatietechnologie; het geheel van software, hardware en databases. In BiSL wordt IT als zelfstandig woord ook vaak gebruikt als aanduiding van de interne en externe IT-dienstverleners (“IT verzorgt dit of dat”).

IT-beheer

Zie IT-management.

IT-infrastructuur

Alle hardware, software, netwerken, faciliteiten etc. die nodig zijn om applicaties en IT-services te kunnen ontwikkelen, testen, uitrollen, monitoren, beheren en ondersteunen.

IT-infrastructuur-management

Alle taken, verantwoordelijkheden en activiteiten gericht op een correcte technische exploitatie van informatiesystemen, bestaande uit apparatuur, (systeem)programmatuur, databases en databestanden. Daarnaast alle processen en activiteiten die nodig zijn voor het up-to-date houden ervan.

Het gaat om taken zoals:

–      installeren, onderhouden en vernieuwen van de IT-infrastructuur: hardware, netwerk, randapparatuur, etc.;

–      installeren en draaien (de operatie) van de software, installeren van databases en databestanden en zorgen dat deze in goede staat blijven (bijvoorbeeld door het maken van back-ups);

–      opstellen beleid en strategie voor de IT-infrastructuur.

IT-leverancier

Een partij die diensten, projecten of producten levert die noodzakelijk zijn voor de realisatie, exploitatie, beheer, onderhoud of vernieuwing van de geautomatiseerde informatievoorziening.

Een IT-leverancier binnen BiSL kan een interne of externe partij zijn.

IT-management

De activiteiten die verbonden zijn aan het beheren van IT-middelen als applicaties, hardware en gegevensdragers.

IT-service

Een dienst die wordt geleverd door een (interne of externe) IT-dienstverlener. IT-services omvatten zowel diensten die ervoor zorgen dat klanten toegang hebben tot informatiesystemen en ondersteunende diensten zoals een servicedesk of databasebeheer, als het geautomatiseerde deel van een informatiesysteem.

IT-servicemanagement

De vaardigheden en processen die verbonden zijn aan het aansturen en beheersen van de activiteiten en middelen voor het plannen, ontwerpen, veranderen, opleveren en verbeteren van diensten ten einde waarde op te leveren. Bij IT-servicemanagement gaat het bijvoorbeeld om het management van services als applicatieontwikkeling, applicatiemanagement, IT-infrastructuurmanagement en databasebeheer.

Jaarplan

Een document waarin alle plannen inclusief de te behalen resultaten voor het komend jaar zijn vastgelegd en dat als leidraad dient voor alle aanpassingen in het komend jaar.

Kennismanagement

Het ontwerpen, inrichten en onderhouden van de kennishuishouding waardoor de in de organisatie aanwezige kennis effectiever wordt gebruikt.

Key performance indicator

Meetbare eenheid aan de hand waarvan een vooraf vastgesteld aspect/onderdeel kan worden gemeten en beoordeeld of het aan de verwachting/doel voldoet. KPI’s moeten gericht zijn op:

•      Waarde: voegt wat we doen waarde toe?

•      Kwaliteit: hoe goed doen we de juiste dingen?

•      Performance: hoe snel doen we de juiste dingen?

•      Compliance: in hoeverre doen we de juiste dingen op de juiste manier?

Klant

Een individu of organisatie die producten (goederen) of diensten van een andere organisatie ontvangt. De business heeft klanten zoals bijvoorbeeld burgers, consumenten, of andere organisaties. BIM is klant van IT-leveranciers, namens de business.

Kortcyclisch

Aanpassingen in kleine onderdelen splitsen en in korte tijdsperioden achter elkaar uitvoeren. Wordt in Agile gebruikt om tijdig en frequent te kunnen bijsturen.

KPI

Zie Key performance indicator.

Kwaliteitsplan

Een plan met kwaliteitseisen aan en verbeterpunten voor de kwaliteit van de informatiesystemen.

Leveranciersbeleid

Beleid dat identificeert welke leveranciers het meest geschikt zijn voor de organisatie en welke soorten relaties worden gezocht.

Managementinformatie

Informatie specifiek voor gebruik door het management. Kan standaard en niet-standaard zijn.

Master data management

De processen, bestuur, beleid, standaarden en hulpmiddelen die op consistente wijze de kritieke data van een organisatie definiëren en beheren.

Masterdata

Gegevens die door de gehele organisatie worden gebruikt en die relaties hebben met veel andere gegevens in de organisatie. Het kan onder andere gaan om belangrijke bedrijfsgegevens, relatief statische gegevens, transactiegegevens, ongestructureerde gegevens, analytische gegevens en metadata.

Metadata

Metadata (metagegevens) zijn gegevens over gegevens.

Missie

Zie Mission.

Mission (driver)

Een beknopte omschrijving van de hogere doelstellingen van een organisatie op basis waarvan KPI’s en CSF’s kunnen worden bepaald. In een missie staat kernachtig wat een organisatie doet en voor wie en vanuit welke normen en waarden het handelt. Synoniem: Missie.

Need (driver)

De middelen die een organisatie nodig heeft om haar missie te kunnen vervullen. In het kader van BIM zijn dat de behoeften aan informatiesystemen en informatieservices.

Niet-functionele eisen

Zie niet-functionele requirements.

Niet-functionele requirements

De beschrijving van het gewenste operationele gedrag van de informatievoorziening in aanvulling op de beschrijving van het gewenste gedrag (functie) van de informatievoorziening (functionele eisen). Voorbeelden zijn prestaties, toegankelijkheid en betrouwbaarheid.

Ontwerp

De abstracte beschrijving van een informatiesysteem dat gebruikt wordt voor ontwikkeling en onderhoud van de ‘fysieke’ artefacten.

Ontwikkelarchitectuur

De structuur en context van de (geautomatiseerde) informatiesystemen.

Operation (domain)

Gebied met activiteiten ter ondersteuning van diegenen die informatiesystemen gebruiken bij het uitvoeren van hun werk binnen de bedrijfsprocessen, het operationele beheer van de leverancier van informatieservices en leveren en bewaken van operationele diensten.

Operationele IT-aansturing

Het aansturen van IT-dienstverleners tijdens het dagelijks gebruik van de informatiesystemen.

Organisatie

Doelgerichte inzet van productiemiddelen (grondstoffen, arbeid en kapitaal) om op zakelijke wijze te voorzien in de behoefte aan producten en/of diensten in haar omgeving.

Organisatiestrategie

Strategie van de business-organisatie (gebruikersorganisatie).

Perspectives

Belangrijke aspecten die worden beschouwd bij Governance, Strategy, Improvement en Operation.

Plannings- en inzetoverzicht

Een document dat inzicht geeft in geplande activiteiten, ingeplande en beschikbare capaciteit en beschikbare expertise (planningsoverzicht) en inzicht in de toegekende inzet van personele middelen op opdrachten en activiteiten (inzetoverzicht).

Proactieve communicatie

Communicatie die erop gericht is problemen te voorkomen. Kan bijvoorbeeld gaan over nieuwe ontwikkelingen, veranderingen in de informatievoorziening en tips en trucs voor een beter gebruik van de informatiesystemen.

Product owner

Eigenaar van een product die in een scrum-team verantwoordelijk is voor het continu aangeven en beheren van de verwachtingen van de gebruikersorganisatie ten aanzien van een product.

Product-backlog

Overzicht van alle bekende werkzaamheden zowel ten behoeve van nieuwe softwarefuncties als voor herstel en onderhoud.

Referentiedata

Voorgedefinieerde of toegestane waarden (uit een tabel) voor bepaalde gegevenselementen. Bijvoorbeeld prijscodes of landcodes.

Requirement

Een vastgelegde specificatie. Binnen BiSL worden business-requirements, functionele requirements, niet-functionele requirements, data-requirements, service-requirements, constraints en beheerrequirements (acceptatiecriteria) onderscheiden.

Requirementsanalyse

Analyse om tot een beschrijving van een requirement te kunnen komen. Zie ook Requirement.

Robotisering

Het vervangen van menselijke inzet in de uitvoering van taken door robots.

Scrum

Een aanpak om in korte iteraties aanpassingen in systemen aan te brengen. Via feedback van echte gebruikers wordt voortdurend bijgestuurd. Focus ligt sterk op het behalen van business value en het werken in zelforganiserende, multidisciplinaire teams. Is een van de meest gebruikte werkwijzen binnen de Agile manier van werken.

Service (dienst)

Een manier om waarde te leveren aan klanten door klanten in staat te stellen de door hen gewenste resultaten te realiseren, zonder zelf eigenaar te zijn van de specifieke kosten en/of de risico’s die verbonden zijn aan de service. Een dienst bestaat uit een (1) aanbod van een partij aan een andere, tussen wie een (2) relatie bestaat; een (3) koppeling tussen beide partijen, (4) interactie (of dienstverlening) tussen de partijen, en resulteert in (5) output en (6) resultaat voor beide partijen.

In het kader van BiSL onderscheiden we:

–      informatieservices (services aan de business in het kader van de informatievoorziening);

–      business-services (services van de business aan haar stakeholders).

Service (perspective)

Het perspectief dat is gericht op de diensten die nodig zijn om de nodige informatie te verzamelen voor het runnen van de organisatie en het bereiken van de doelstellingen van de organisatie.

Service level agreement (SLA)

Verzameling afspraken tussen de business en de IT-leverancier. Business-informatiemanagement treedt hier op als vertegenwoordiger van de business.

Service-architectuur

Een beschrijving van welke informatieservices worden gebruikt en hoe deze onderling samenhangen en welke rol deze spelen in de bedrijfsactiviteiten en de business-services.

Service-assemblage

De samenstelling van een service uit verschillende onderdelen.

Service-integratie

De integratie van (deel)services die door verschillende leveranciers worden geleverd.

Service-requirements

Eisen die worden gesteld aan IT en BIM. Worden afgeleid van business-requirements.

Servicedesk

Het loket waar gebruikers terecht kunnen met vragen over of problemen met de informatievoorziening.

Servicemanagement

Het geheel van gespecialiseerde organisatorische vaardigheden voor het leveren van waarde aan klanten in de vorm van diensten.

Serviceorganisatie

Organisatie die diensten verleent aan een gebruikersorganisatie. Het opstellen van procedures en afspraken maakt hier onderdeel van uit.

Servicevalidatie

Validatie van de informatieservice. Bijvoorbeeld of de informatieservice voldoet aan de standaarden, beschikbaarheidseisen en of deze volledig is.

SLA

Zie Service level agreement.

Sourcing

Het verkrijgen van diensten: inkoop.

Sourcing-strategie

Strategie rondom sourcing. Is onderdeel van de bedrijfsstrategie. Onder andere is beschreven welke IT- en BIM-vaardigheden nodig zijn en hoe die worden geworven.

Specificeren

Beschrijven. Wordt gedaan bij een gewenste aanpassing, maar kan ook worden gedaan bij bijvoorbeeld de voorbereiding van een test.

Stakeholder

Elke persoon of groep die het bereiken van organisatiedoelen kan beïnvloeden of daardoor wordt beïnvloed. Voorbeelden zijn: werknemers, investeerders, de overheid en klanten.

Standaardisatie

Het toepassen van standaarden en normen.

Strategische planning

Het omzetten van strategische thema’s in mogelijke actieplannen op globaal niveau, prioriteren van voorgestelde acties en het begeleiden van het uitvoerend management.

Strategy (domain)

Het gebied waarin plannen worden opgesteld waarmee (in Governance gedefinieerde) doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Een strategie is meestal bedoeld voor de lange termijn.

Sturingscyclus

De sturingscyclus bestaat uit de volgende drie elementen:

1.    Plannen: vaststellen welke activiteiten wanneer door wie uitgevoerd moeten worden en wat de gewenste resultaten zijn;

2.    Controleren: bewaken van de gewenste resultaten en nemen van maatregelen;

3.    Evalueren: evalueren van de uitvoering en opstellen van verbeteringsvoorstellen.

Stuurgegevens

Stuurparameters en generieke waarden zoals BTW-percentages of tariefstaffels. Synoniem: Control data.

Technisch beheer

Het operationele deel van IT-infrastructuurmanagement.

Technologie

Zie Technology.

Technologiearchitectuur

Een beschrijving van de logische samenhang van software en hardware die nodig is ter ondersteuning van de business-, data- en applicatieservices. Deze omvat de IT-infrastructuur, middleware, netwerken, communicatie, verwerking, standaarden, programmeertalen, etc.

Technologiebewaking

Het op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het gebied van technologie en welke potentie veranderende technologie kan hebben voor de organisatie.

Technology (perspective)

Het perspectief dat zich richt op de technologie die nodig is om de informatie te kunnen vergaren die nodig is voor het besturen van een organisatie en het behalen van de organisatiedoelen.

Testbeleid

Document waarin de uitgangspunten, aanpak en de belangrijkste doelstellingen van de organisatie met betrekking tot testen zijn beschreven.

Testplan

Plan waarin wordt opgenomen wat wordt getest, op welke wijze, waar, door wie en wanneer.

Testscripts

Scripts aan de hand waarvan een test gestructureerd kan worden uitgevoerd. Zorgt ook voor reproduceerbaarheid van een test, bijvoorbeeld nadat een geconstateerde bevinding naar het oordeel van IT is opgelost.

Teststrategie

Geeft een totaal overzicht van wat er getest wordt binnen welke testsoort en met welke diepgang. Kan onderdeel uitmaken van een testplan.

Transitie

Overdracht van nieuwe of gewijzigde delen van een informatiesysteem naar productie.

Transitieplan

Draaiboek waarin alle activiteiten van de daadwerkelijke inproductiename (transitie) worden beschreven.

Uitrol

Zie Transitie.

User story

Korte beschrijving van een gewenste aanpassing. Het format is: Als een <type gebruiker> wil ik <iets doen> zodat ik <er iets aan heb>. Achtereenvolgens moet dus het wie, het wat en het waarom worden ingevuld.

Valideren

Het controleren van een waarde, document of een methode op geldigheid of juistheid.

Value (driver)

De waarde die een organisatie ontleent aan de informatiesystemen en -services.

Waarde

Zie Value.

Waardeketen

Strategisch model dat de waarde van de primaire en ondersteunende activiteiten in een organisatie benoemd en bepaald hoe zij daar concurrentievoordeel kan behalen.

Watervalmethode

Aanpak van systeemontwikkeling waarin alle werkzaamheden in fases achter elkaar worden uitgevoerd (als in een waterval). Scheiding van de verschillende specialismen is een belangrijk kenmerk. Door de lange doorlooptijd kan het lastig zijn de juiste resultaten ook echt te bereiken, tussentijdse aanpassingen zijn lastig of kostbaar.

Werkinstructies

Concrete aanwijzingen voor gebruikers hoe met een bepaald deel van een informatiesysteem gewerkt moet worden.

Wijzigingsverzoeken

Een verzoek tot wijziging van (de functionaliteit van) een informatiesysteem.

Onze aanraders

Het basisboek “BiSL Next – in uitvoering” en de bijbehorende courseware kunnen wij van harte aanbevelen: